Berend Voslamber

Onderzoeker bij Sovon Vogelonderzoek Nederland

Ganzen hebben me vanaf mijn vroege jeugd altijd geboeid. De grote vluchten die bij invallende vorst in beweging kwamen leken precies over ons huis in Winschoten ons land binnen te vliegen. Ik vond dat zeer indrukwekkend.

Ondanks het feit dat ik tijdens mijn studie vooral met andere vogels en planten bezig was en zelfs een uitstapje maakte naar fysische geografie, kwam ik uiteindelijk toch weer uit bij ganzen.

Eerst als hobby (en dat vooral nog steeds) maar ook steeds meer als werk ben ik Grauwe Ganzen gaan ringen en vlogen. In Nederland was Maarten Loonen daar in 1990 mee begonnen. Ik nam het stokje in 1997 van hem over. Daarvoor was ik vanaf 1988 al regelmatig in Zweden op vangers-pad geweest met Hakon Persson en Leif Nilsson. Van hen leerde ik het vangen van ganzen tijdens de rui. Vanaf 1997 vang ik dus zelf in Nederland en dan vooral in de Ooijpolder. Hier loopt een langlopend project naar de factoren die de populatie opbouw van een ganzenpopulatie bepalen. Inmiddels worden ook op veel andere plekken in het land Grauwe Ganzen geringd. Sinds een aantal jaren zijn daar de Canadese Ganzen bij gekomen. Het noemen waard zijn de langlopende ringprojecten in Limburg en Groningen in opdracht van de provincie. Het Canadese Ganzen project wordt financieel ondersteund door het Faunafonds.
Het ringen gebeurt met metalen VT-ringen en kleurringen om de poten en halsbanden. Vooral die halsbanden leveren een schat aan gegevens op over plaatselijke bewegingen van de vogels, maar ook over broedsucces en overleving. Al deze gegevens gebruiken we om een beeld te krijgen van de in Nederland broedende ganzen. Waardoor worden de huidige aantallen bepaald? Wat is het achterliggende proces achter hun toename? Hoe groot zouden de populaties kunnen worden zonder ingrijpen, wat zijn de natuurlijke processen die dan gaan werken?

Zoals gezegd, het ringen vind vooral plaats tijdens de rui. Dat is in de maanden juni en begin juli. De vogels kunnen niet vliegen en zijn relatief eenvoudig met staande netten te vangen.

Wat is dan nog het belang van het ganzenflappen voor mijn onderzoek?
Wel, in de wintermaanden lijken er her en der in het land grotere aantallen Grauwe Ganzen te zitten dan op grond van de broedpopulaties kan worden verwacht. Omdat in Duitsland en Scandinavië wel geringd wordt met halsbanden, maar lang niet overal en met name in Scandinavië op veel geringere schaal als vroeger, is het van belang om zo nu en dan wat ganzen te vangen in de wintermaanden en die van halsbanden te voorzien. Hierdoor krijgen we een beeld van de herkomst van de winterganzen. Bij de ganzenflappers in Brabant (gebr. Van Schoten, H. van Kessel) zijn in de afgelopen winters kleine aantallen Grauwe Ganzen geringd. Deze vogels komen vrijwel allemaal niet uit de directe omgeving, maar hebben hun broedgebied ergens in het noordoosten van Duitsland of het zuiden van Zweden.

De traditionele ganzenflappen levert op deze manier een waardevolle toevoeging aan het onderzoek aan de in ons land verblijvende Grauwe Ganzen. In de komende winters zou het goed zijn om op meer plaatsen een aantal vogels van halsbanden te voorzien.