Dick Jonkers

Ganzen flappen en ringen voor onderzoek
Dick Jonkers
Gepensioneerd onderzoeker Alterra Wageningen en vrijwillig regiocoördinator Eemland/ Arkemheen

Toen ik in 1958 als achttienjarige jongen een ringvergunning kreeg, had ik er niet van kunnen dromen, dat ik mij ooit bezig zou gaan houden met ringonderzoek aan ganzen. Die kans deed zich voor in 1996, toen men in Eemland en Arkemheen op zoek was naar iemand, die dit zou willen gaan doen. Ik werkte toen bij het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, nu Alterra in Wageningen. Vanuit de hieraan voorafgaande instituten was, tot een aantal jaren voordat ik aan de slag zou gaan, een collega van mij -Han Smit- altijd beroepshalve bezig geweest met ringen van de ganzen. Hij werd na zijn pensionering niet vervangen en het ringonderzoek bij de ganzenflappers stopte. Gelukkig werkte ganzenonderzoeker Bart Ebbinge (ganzenbart) nog wel bij het instituut. Hij kon het ringonderzoek begeleiden. Een knelpunt was de financiering. Kees de Bruin,voormalig directeur van Vogelbescherming Nederland schoot te hulp. Hij was o.a. betrokken bij de de Van der Hucht De Beukelaar Stichting en het Dierenrampenfonds. Dank zij zijn inzet kon het onderzoek weer worden opgestart.

Voor mij was de taak weggelegd om op te treden als vrijwillig coördinator in de regio Eem-land-/Arkemheen en de ganzen daar te ringen. Aanvankelijk kreeg ik bij het ringen hulp van Frans Leurs en korte tijd ook van Bob van Poelgeest. Zij werden opgevolgd door Engbert van Oort, die sindsdien assisteerde. Hij heeft nu al vele jaren een eigen ringvergunning. Wel zo makkelijk, dat er een vervanger is. Alle jaren, eerst vanaf begin december en sinds enkele jaren zelfs vanaf half november moest ik, op zon- en feestdagen na, dagelijks stand bye zijn. Zoiets gaat je niet in je koude kleren zitten. Laat staan de ganzenflappers en hun helpers, die vanaf het ochtendgloren tot ver in de middag de hutten bemanden. Zij zorgden ervoor dat er zeer veel ganzen op het tableau kwamen om te ringen. In de periode 1996-2013 jaar waren dat er denk ik zo’n 15.000.

Aan de ganzenflappers heb ik zeer veel te danken. Zonder hen was ik nergens geweest. Wanneer er veel ganzen gevangen waren boden zij de extra helpende hand, zodat de dieren binnen de kortst mogelijke tijd hun vrijheid herkregen. De ganzen werden geringd met een combinatie van aluminium ring en een gekleurde nekring, wanneer laatstgenoemde beschikbaar waren of alleen met een aluminium ring. In een zeer klein aantal gevallen zij ze van een zender voor- zien. Van elke gans is de kop-snavelmaat genomen, zijn de vleugel en tarsus gemeten en is het gewicht bepaald. Van de gekleuringde ganzen zijn inmiddels vele duizenden aflezingen binnen langs hun trekwegen en van pleisterplaatsen. Ook zijn er zeer veel terugmeldingen van ganzen uit hun broedgebieden, tot ver achter de Oeral. Het merendeel is geschoten. Daar gaat het nog om voedselvoorziening. Wrang is het dat uit ons land ook terugmeldingen komen van geschoten ganzen. ’ Ter bescherming van het gewas’ heet het dan.

Voor DNA-bepaling door zijn ook veren verzameld van rietganzen.
Een toegevoegde waarde voor het onderzoek was de maatschappelijke relevantie die het kreeg door het nemen van keel- en cloacamonsters voor het Erasmus MC in Rotterdam. Daar worden ze onderzocht op de aanwezigheid van vogelgriepvirussen.
Om te wijzen op de grote cultuurhistorische waarde van de oude vogelvangambacht-en,waartoe ook het ganzenflappen behoort, is in 2008 een boek uitgebracht met de titel ‘Beter één vogel in de hand …. Het behandelt vogelvangst,valkerij eieren zoeken in ambacht, cultuurhistorie, natuurbescherming en wetenschap. Hierin is ook een hoofdstuk gewijd aan de ganzenflapperij.

Voor mij is deze bijdrage de afsluiting van een prachtig periode en een voortreffelijke samenwerking. Engbert van Oort zet mijn werk voort. Dank mannen! Het is een mooie tijd geweest.

Foto: Fabice Ottenburg